Met tien sportploegen op het hoogste niveau doet Limburg het zo slecht nog niet: ‘Je hebt een aantal ‘gekken’ nodig die de kar blijven trekken’
MAASTRICHT
De Limburgse teamsport kreeg deze zomer een flinke tik met het wegvallen van drie ploegen van het hoogste podium. Het roept de vraag op waar onze provincie landelijk gezien eigenlijk staat. Een rondje langs acht sporten, buiten het voetbal. „Het verschil zit uiteindelijk altijd in geld.”
De teamsportcompetities komen weer op gang. Sommige clubs op het hoogste niveau hebben de eerste wedstrijden er inmiddels op zitten. Tigers Roermond, de voorbije drie jaar superieur in het Nederlandse zaalvoetbal, heeft zelfs al de eerste prijs van het kersverse seizoen binnen: de Super Cup (de derde trofee van 2026 na de bekerwinst en landstitel). De handballers van Bevo HC zijn als trotse titelverdediger begonnen aan een nieuwe editie van de prestigieuze Super League, met daarin ook zeven Belgische clubs. En de vrouwen van Delta Venlo laten in positieve zin van zich horen door in het clubhockey, waarin Limburg al decennialang een blinde vlek is, te debuteren in ’s lands een-na-hoogste klasse.
Maar de afgelopen zes maanden incasseerde Limburg ook enkele klappen, want een jaar na het einde van handbalbolwerk Lions verdwenen in een oogwenk nog eens een paar teams uit de top in hun sport. Zo trok de leiding van Basketbal Academie Limburg de mannenploeg, die jaren onderaan had gebungeld in de BNXT League, voor het seizoen 2026-2027 terug uit de hoofdzakelijk door Belgische clubs gedomineerde competitie. Reden: te weinig geld en draagvlak. Ook de vrouwen van de club uit Weert basketballen dit seizoen niet meer tussen de elite; er bleef onvoldoende kwaliteit over voor een langer verblijf in de Women’s Basketball League. En het Roermondse Fermonia Boys degradeerde uit de eredivisie zaalvoetbal.
Daarnaast trok de Stichting Topijshockey Eaters Limburg de ploeg terug uit de leeggelopen Central European Hockey League, waardoor nu het eredivisieteam het vlaggenschip is van de vereniging uit Geleen.
Dat roept de vraag op: wat blijft er over aan topsport in teamverband tussen Eijsden en Mook? De Limburger heeft op een rij gezet hoeveel Limburgse ploegen – het veldvoetbal buiten beschouwing gelaten – actief zijn op het hoogste niveau. Daarbij is gekeken naar handbal, volleybal, hockey, tafeltennis, basketbal, ijshockey, badminton en zaalvoetbal. Van de 125 teams (mannen en vrouwen) die dit seizoen in die sporten om de landstitel strijden, komen er 10 uit deze provincie: Bevo, Fortes Venlo, V&L (handbal), Limax, Peelpush (volleybal), Tigers (zaalvoetbal), Roosterse BC (badminton), Eaters (ijshockey) en Westa (met twee teams in de tafeltenniseredivisie). Daarmee staat Limburg landelijk gezien op de vijfde plek.
Dat Zuid- en Noord-Holland met respectievelijk 29 en 28 teams er ver bovenuit steken is niet vreemd, want daar wonen drie keer zoveel mensen. Daarom is het reëler om te kijken naar het aantal inwoners in een provincie per topteam. Op dat lijstje neemt Limburg de tweede plaats in met op elke 113.800 inwoners een ploeg op het hoogste niveau. Overijssel – qua inwoners een vergelijkbare provincie – scoort met één team op 200.333 inwoners duidelijk minder goed.
De zaalvoetballers van Tigers Roermond domineren al drie jaar in eigen land. © De Limburger
Kwantitatief doet Limburg het dus niet slecht. Maar hoe zit het met de kwaliteit, oftewel de prestaties? Afgemeten aan het aantal landstitels doen ‘we’ het best aardig. Van de 113 stuks die de afgelopen tien jaar (sinds het seizoen 2016/2017) werden vergeven, zijn er acht voor clubs uit onze provincie. Daarmee is Limburg de nummer vijf van het land. Kanttekening: zeven van die acht kwamen voor rekening van het handbal (twee voor Lions en twee voor de vrouwen van Venlo) en zaalvoetbal (driemaal Tigers). De tafeltennissters van Heerlen waren in 2019 nummer 1 van Nederland. In het ijshockey dateert de laatste nationale kampioen van Limburgse bodem uit 2012 (Eaters), in het volleybal uit 2011 (vrouwen VC Weert) en in het basketbal zelfs uit 1994 (mannen BS Weert).
Marginale rol
Hoewel ze zich mogen meten met de beste clubs van Nederland, speelt minstens de helft van de Limburgse teams op het hoogste platform al jaren slechts een marginale rol. V&L, Peelpush, Roosterse BC en Westa doen mee, maar daar is alles mee gezegd. Ook VC Limax – rap opgeklommen op de ladder van het vaderlandse mannenvolleybal – strijdt niet mee om de titel. Het hoopte na de entree in de eredivisie in 2021 zo snel mogelijk de top vier van Nederland aan te kunnen vallen, maar daar is het (nog) niet van gekomen. „De stap naar de eredivisie is groot, maar de stap om structureel in de top van de eredivisie te spelen is drie keer zo groot. Dat heeft te maken met hoeveel tijd, energie en geld een club erin steekt”, zegt coach Rob Bontje.
De oud-international geeft aan dat de fusieclub uit Linne/Maasbracht pas op de plaats heeft moeten maken. „Wij zijn heel snel gegroeid qua organisatie en sponsorinkomsten. We hadden een aantal mensen op kantoor die de zaken rond het mannenteam regelden. Inmiddels hebben we een stapje teruggedaan en draait alles weer op vrijwilligers.”
Ambitie is verdrongen door meer realisme, aldus Bontje. „Limax is een regionale club die nationaal speelt. Wij hebben geen achterban van vijfhonderd leden zoals clubs als Sliedrecht Sport, Dynamo in Apeldoorn of Lycurgus in Groningen. Dat zorgt ervoor dat de aanwas vanuit de jeugd een stuk lastiger wordt. Ook hebben we niet het budget van een ploeg als Orion. Als je het hebt over meedoen om de prijzen, dan zit het verschil uiteindelijk altijd in geld. Dat is in elke sport zo.”
Westa speelt al sinds jaar en dag met een mannen- en vrouwenteam in de eredivisie tafeltennis. © De Limburger
Jorg Smeets, binnen Westa bestuurlijk verantwoordelijk voor tafeltennis, herkent dat beeld. In Wessem missen ze de financiële slagkracht van bijvoorbeeld een Hilversum, dat de regerend landskampioen bij de mannen in huis heeft. „Die club koopt gewoon de landstitel door een paar buitenlandse profs te halen die in meerdere landen competitie spelen. Dat kunnen en willen wij niet.”
Je ziet hier weinig echt grote verenigingen, met duizend leden. Boven Eindhoven kom je juist veel van dat soort bolwerken tegen. Jorg Smeets (Westa)
Desondanks slaagt Westa er al 25 jaar nagenoeg onafgebroken in om twee teams in de eredivisie overeind te houden. De mannen werden zelfs twee keer Nederlands kampioen, in 2011 en 2012. Smeets – die in het geval van zijn club niet van topsport, maar van prestatiesport spreekt – merkt echter dat het steeds moeilijker wordt om een rol van betekenis te spelen. Om te beginnen zijn de grootste talenten niet vast te houden. Bovendien bespeurt hij versnippering in Limburg, niet alleen in het tafeltennis maar in het totale sportaanbod. „Er zijn veel kleine dorpen met vaak kleine clubs, maar je ziet hier weinig echt grote verenigingen, met duizend leden. Boven Eindhoven kom je juist veel van dat soort bolwerken tegen. Met zo’n massa is het makkelijker talent door te ontwikkelen en kun je sneller opschalen qua kader en budget.”
Westa moet volgens Smeets in een steeds kleinere vijver vissen. „Die droogt op. Daardoor zijn wij genoodzaakt creatief te zijn. Zo halen we nu jonge Belgische spelers met ambitie die net over de grens wonen naar Wessem.”
Bevo is al een hele poos een vaste waarde in de (sub)top van het Nederlandse mannenhandbal en de Super League. In Panningen staat een stabiele organisatie rond de hoofdmacht en het een divisie lager uitkomende tweede, dat vooral als opleidingsteam geldt. „Het wordt stap voor stap professioneler”, zegt Nick van den Beucken van de stichting Bevo HC Handbal Promotion. Zo loopt er sinds twee jaar een commercieel manager rond. „De totale sponsorinkomsten zijn sindsdien met 50 procent toegenomen. Een deel van dat geld wordt in de jeugdopleiding, het technisch kader en spelers voor het eerste team gestoken. En in faciliteiten en huisvesting voor jongens die niet in de buurt wonen en toch bij ons willen spelen.”
Concurrentie
In eigen land kan Bevo aardig wedijveren met de topploegen Aalsmeer en Volendam. Clubs die volgens Van den Beucken niet alleen meer financiële mogelijkheden hebben, maar bovendien geen last ondervinden van concurrentie uit de Duitse of Belgische grensstreek. „Wij zien jongens op hun 16de al de stap maken naar de jeugdopleiding van clubs in Duitsland. Dat wordt ook gestimuleerd vanuit de nationale jeugdselecties. Aan de andere kant: wij kunnen makkelijker spelers uit Duitsland halen die daar in de tweede of derde Liga spelen en hier om de prijzen mee willen doen. Daarnaast scouten we de laatste jaren ook talenten in België.”
Basketbal Academie Limburg had tot voor een paar maanden twee ploegen op het hoogste niveau, nu niet meer. © De Limburger
Of het nu een grote of kleine tak van sport betreft: wie in de top niet over het meeste geld beschikt, moet slim handelen. En beschikken over doorzettingsvermogen, passie en de wil om te overleven. Bij Westa verstaan ze die kunst. Jorg Smeets: „Het zit in het DNA van onze club. Wij doen alles met vrijwilligers. In het bestuur zitten al jaren dezelfde mensen die creatief proberen te zijn. Dat is altijd zo geweest. Je hebt gewoon aan aantal ‘gekken’ nodig die de kar blijven trekken. Anders wordt het een moeilijk verhaal.”
24 september 2026 De Limburger – Frank Buschmann

